1. Inleiding
Dit protocol beschrijft de maatregelen die zorgboerderij [Naam Zorgboerderij] neemt om het risico op overdracht van zoönosen (ziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn) te minimaliseren. Het protocol is opgesteld conform de richtlijnen van de GGD, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en relevante brancheorganisaties. Het doel is het waarborgen van de gezondheid en veiligheid van cliënten, medewerkers, vrijwilligers en bezoekers.
2. Algemene Hygiënemaatregelen
- Handhygiëne:
- Verplicht handen wassen met water en zeep na elk contact met dieren, mest, dierlijke producten of dierverblijven.
- Handen desinfecteren met een handdesinfectiemiddel (minimaal 70% alcohol) na het handen wassen, met name vóór het eten of drinken.
- Zorg voor voldoende wasgelegenheden met stromend water, zeep en papieren handdoekjes op strategische plaatsen (o.a. bij dierverblijven, kantine).
- Instructie en toezicht op correcte handhygiëne, met name bij cliënten.
- Voedselveiligheid:
- Eten, drinken en roken is verboden in de dierverblijven en op plaatsen waar direct contact met dieren of mest plaatsvindt.
- Consumptie van voedsel uitsluitend in daarvoor bestemde ruimtes (bijv. kantine).
- Voorkom kruisbesmetting: gebruik aparte snijplanken, messen en materialen voor rauw vlees en andere voedingsmiddelen.
- Voedsel goed verhitten en bewaren conform de geldende hygiëneregels.
- Kleding:
- Draag geschikte werkkleding die regelmatig gewassen wordt op hoge temperatuur (minimaal 60°C).
- Gebruik eventueel aparte kleding en schoeisel voor stalwerkzaamheden.
- Vermijd het dragen van vieze werkkleding in de kantine of andere schone ruimtes.
- Wondverzorging:
- Alle wondjes, hoe klein ook, direct reinigen en desinfecteren.
- Bedek wondjes met een waterdichte pleister of verband, met name bij contact met dieren.
- Bij diepere wonden of verdenking van infectie: raadpleeg een arts.
3. Diercontact en Dierverzorging
- Risicobeperking bij contact:
- Begeleid altijd cliënten bij diercontact.
- Leer cliënten en medewerkers hoe ze veilig met dieren omgaan (rustig benaderen, niet laten likken aan gezicht of open wonden).
- Vermijd direct contact met de bek of ontlasting van dieren.
- Informeer cliënten en medewerkers over mogelijke risico’s en de te nemen voorzorgsmaatregelen.
- Diergezondheid en -welzijn:
- Regelmatige controle van de gezondheid van alle dieren door een dierenarts.
- Zieke dieren isoleren en laten behandelen door een dierenarts.
- Houd een overzicht bij van de vaccinaties en ontwormingsschema’s van alle dieren.
- Zorg voor schone en goed geventileerde dierverblijven.
- Verwijder mest en vuil regelmatig en op hygiënische wijze.
- Aanschaf en afvoer van dieren:
- Koop dieren uitsluitend aan bij betrouwbare leveranciers en met een gezondheidsverklaring.
- Voer dode dieren op een hygiënische en wettelijk toegestane wijze af.
4. Specifieke Risico’s en Maatregelen
- Ratten en muizen:
- Bestrijd plaagdieren actief door middel van vallen, gif of professionele ongediertebestrijding.
- Zorg voor een opgeruimde omgeving om schuilplaatsen en voedselbronnen voor plaagdieren te beperken.
- Vogels (bijv. pluimvee):
- Let op symptomen van vogelgriep (lusteloosheid, verminderde eetlust).
- Vermijd contact met zieke of dode vogels. Meld dit direct bij de NVWA en/of dierenarts.
- Schapen en geiten (bijv. Q-koorts):
- Wees extra alert tijdens de lammertijd. Draag handschoenen en een mondkapje bij assistentie bij geboortes.
- Voorkom contact met geboorteproducten (vruchtwater, nageboorte).
- Laat drachtige dieren, indien van toepassing, vaccineren tegen Q-koorts.
- Runderen (bijv. E. coli O157):
- Zorg voor schone drinkbakken en voederplaatsen.
- Vermijd contact met mest.
- Varkens (bijv. Varkensgriep, MRSA):
- Beperk contact met varkens indien dit niet noodzakelijk is.
- Pas goede handhygiëne toe na elk contact.
- Huisdieren (honden, katten):
- Zorg ervoor dat huisdieren op de boerderij regelmatig worden ontwormd en ontvlooid.
- Huisdieren mogen niet in de keuken of eetruimtes komen.
5. Educatie en Communicatie
- Voorlichting aan cliënten:
- Geef duidelijke en begrijpelijke voorlichting over zoönosen en de te nemen voorzorgsmaatregelen.
- Gebruik visuele hulpmiddelen (pictogrammen) voor cliënten die minder goed lezen.
- Herhaal de voorlichting regelmatig.
- Voorlichting aan medewerkers en vrijwilligers:
- Train alle medewerkers en vrijwilligers over de risico’s van zoönosen en de juiste hygiënemaatregelen.
- Zorg voor een jaarlijkse herhalingstraining.
- Medewerkers dienen op de hoogte te zijn van het protocol en de procedures bij verdenking van een zoönose.
- Communicatie met ouders/verzorgers:
- Informeer ouders/verzorgers over het zoönosenprotocol.
- Meld onmiddellijk wanneer een cliënt ziek is geworden na diercontact en geef advies over contact met een arts.
6. Protocol bij Ziekte of Incidenten
- Ziekte van cliënten of medewerkers:
- Bij klachten (koorts, diarree, huiduitslag) na contact met dieren: altijd een arts raadplegen en melden dat er diercontact is geweest.
- Meld de klachten direct aan de verantwoordelijke op de zorgboerderij.
- Ziekte van dieren:
- Bij vermoeden van een besmettelijke dierziekte: direct de dierenarts inschakelen.
- Isolatie van het zieke dier.
- Extra hygiënemaatregelen bij contact met het zieke dier.
- Bij bepaalde ziekten (bijv. vogelgriep, Q-koorts): direct melden bij de NVWA en GGD.
- Incidenten (bijv. bijtwonden):
- Direct wondverzorging toepassen (reinigen, desinfecteren).
- Bij diepere wonden of bijtwonden van ongevaccineerde dieren: altijd een arts raadplegen en tetanusvaccinatie overwegen.
- Registreren van incidenten en evalueren om herhaling te voorkomen.
7. Verantwoordelijkheden
- Management/Eigenaar Zorgboerderij:
- Eindverantwoordelijk voor de naleving van dit protocol.
- Zorgt voor voldoende middelen en faciliteiten voor een veilige werkomgeving.
- Draagt zorg voor training en voorlichting.
- Begeleiders/Medewerkers:
- Verantwoordelijk voor de uitvoering van het protocol en het toezicht op cliënten.
- Melden direct afwijkingen of incidenten.
- Dierenarts:
- Adviseert over diergezondheid en vaccinatieprogramma’s.
- Stelt diagnoses en behandelt zieke dieren.
- GGD:
- Kan adviseren over preventie en bestrijding van zoönosen bij mensen.
8. Evaluatie en Aanpassing
- Dit protocol wordt minimaal [frequentie, bijv. jaarlijks] geëvalueerd en waar nodig aangepast op basis van nieuwe inzichten, wetgeving, incidenten of veranderingen op de zorgboerderij.
- De evaluatie vindt plaats in overleg met medewerkers, de dierenarts en eventueel de GGD.


